In 1983 trad ik op in Hotel in Las Galletas, ergens op de zuidpunt van het eiland Tenerife. Wendy en onze oudste zoon Oscar, toen ongeveer 3 jaar, gingen mee.

Na aankomst in het hotel wandelde ik met Oscar aan de hand via een smal pad rond de baai. Je keek dan van grote hoogte naar beneden en heel ver in de diepte lag de Atlantische Oceaan. De zee was behoorlijk onrustig en ik vond het fascinerend om te zien hoe de golven kwamen aanrollen en tegen de rotswand sloegen.
Op een gegeven moment zag ik dat vanaf het pad rond de baai een lange trap in de rotsen was uitgehouwen. Via die trap kon je naar beneden en kwam dan op een uitstekend plateau in de zee terecht. Ik had net besloten om met Oscar die trap af te dalen, toen Wendy terug kwam van het boodschappen doen en zei: “Ik neem Oscar wel mee, want hij moet even een uurtje slapen. Dan is hij vanavond fit”. Achteraf bleek deze beslissing ervoor te hebben gezorgd dat Oscar nu nog steeds leeft.

Toen Wendy met Oscar naar het hotel liep, daalde ik de trappen af en kwam aan op het plateau in zee. Het was niet zo groot, hooguit 10 x 5 meter en er was een metalen trapje aan bevestigd waarmee je op rustige dagen het water in kon. Terwijl ik keek naar de imponerende schuimende heksenketel die werd veroorzaakt door de wilde golven, dacht ik nog: “Daar kun je maar beter niet in terecht komen”.
Op dat moment kwam er –net als in een griezelfilm- een grote golf uit zee aanrollen en een enorme watermassa overspoelde het rotsplateau waar ik op stond. Ik voel nog de verbijstering over de enorme kracht die mij onverwacht greep en in een reflex pakte ik de gebogen metalen leuning van het trapje. Het mocht niet baten. De kracht was zo enorm dat ik werd losgerukt en weggespoeld in een donderende golf van opspattend water. Ik had niets eens tijd om in paniek te raken.

Toen ik uit de diepte van de kolkende massa uiteindelijk omhoog schoot en naar lucht hapte was ik zeker 80 meter van de kant vandaan. Vanuit zee kwamen onvoorstelbaar hoge golven die mij alle kanten op schudden en ver voor mij zag ik het plateau en de in de rotswand uitgehouwen trap naar het zo´n 40 meter hoger gelegen pad boven de baai, waar een paar mensen stonden te kijken. Uit alle macht probeerde ik naar de kant te zwemmen, maar ik kwam nauwelijks vooruit. Het lukte me zelfs niet om slechts een meter de goede kant op te zwemmen. De zee kolkte te oncontroleerbaar wild.

Ik lag in die woest warrelende watermassa en probeerde mijn hoofd boven te houden en naar de kant te zwemmen. Nu kan ik wel zwemmen, maar mijn uithoudingsvermogen is minimaal. Na 20 minuten was ik nog geen paar meter opgeschoten. Ik verslikte me steeds vaker in het zoute water, werd steeds paniekeriger en voelde mijn kracht afnemen. Inmiddels stond het boven op het pad zwart van de mensen. ‘Waarom doet niemand iets?!’ dacht ik. Ik bleef automatisch bewegen en trappelen.

Langzaam begon het besef door te dringen dat ik ging verdrinken. Vreemd genoeg begon ik daarin na zo’n drie kwartier een soort berusting te voelen. Wellicht kwam dat door de uitputting die haar tol ging eisen. Wat zijn je laatste gedachten voordat je denkt te sterven? De mijne staan mij nog glashelder voor de geest. Het waren ontstellend nuchtere en praktische zaken. In een hotelkamer verstopte ik altijd mijn papieren, sleutels en het geld op een moeilijk te vinden plek, zodat ze niet makkelijk te stelen waren. Nu bedacht ik dat Wendy die spullen dan niet zou kunnen vinden als ik dood was. Alleen praktische gedachten over hoe Wendy nu verder moest en dat ik haar niet meer zou kunnen helpen. Geen tunnels met licht, geen prachtig gecomponeerde beelden en geen diepzinnige laatste gedachten. Niets van dat al. Alleen nuchtere realiteit.

Na een uur spartelen in de kolkende zee, bewoog ik nog steeds. Ondanks dat mijn lichaam eigenlijk totaal was uitgeput en nauwelijks meer kon bewegen, ging mijn onderbewuste door met het zenden van prikkels. Ik bleef zwemmen en mijn geest kon niet opgeven.

Toen gebeurde er iets. Tussen alle mensen die op het pad bovenaan de rotswand stonden toe te kijken, arriveerden twee vrienden, die de vorige dag in die baai duiklessen hadden gevolgd. Een Nederlander, Werner v.d. Broek en een Franse jongen, Dany Ruiz. Zij kwamen onmiddellijk in actie. Ze hebben een boei en een lang touw gehaald en stonden ineens op het rotsplateau in zee naar mij te roepen. Levensgevaarlijk omdat de golven alleen maar hoger en krachtiger werden.

Eén van hen gebaarde mij steeds dat ik dichterbij moest komen om de boei te kunnen grijpen. Met mijn laatste krachten probeerde ik naar hen toe te zwemmen totdat hij plotseling gebaarde wég, wég! Ik moest weer weg van de kust, waar ik zo schreeuwend graag naar toe wilde zwemmen. Ondanks dat ik niet begreep wat hij bedoelde volgde ik zijn aanwijzingen. Veel later legde hij mij uit dat er in de golven ter plekke een ritme zat, zes normale golven en dan de zevende een hele grote. Als ik in die grote golf terecht zou zijn gekomen op het moment dat ik te dicht bij de rotswand zwom, zou ik in een oogwenk tegen de kant te pletter zijn geslagen.

Hoe lang dit heeft geduurd weet ik niet meer. Eigenlijk was ik er lichamelijk ook al lang niet meer toe in staat. Het was puur mijn blijkbaar onblusbare overlevingsdrang die door de steun van deze twee onbekenden werd aangewakkerd en die mijn lichaam liet doorgaan met bewegen. Op een onwaarschijnlijk magisch moment lag de boei plotseling vlak voor mij. Mijn armen haakte ik door de opening van de ring en strengelde mijn vingers in elkaar met de gedachte nooit meer los te laten.

Vanaf dat moment zijn mijn herinneringen vaag. Ik weet dat ik door het water naar het plateau werd getrokken en iemand met een been op het trapje in zee steunde om mij uit het water te trekken. Later heb ik de afdrukken van mijn vingers, die zich in paniek in dat been hadden vastgegrepen, nog gezien. Toen ik op de kant werd gehesen, zakte ik als een plumpudding in elkaar en weet alleen nog dat ik wakker werd in mijn hotelbed en Wendy naast mij zat. Ik was zo totaal uitgeput dat ik een dag lang niet kon bewegen en letterlijk geen woord meer kon zeggen.

Enkele dagen later vernam ik dat nog geen twee weken voordat ik door die gigantische golf van het rotsblok af de zee in werd getrokken, op precies dezelfde plek een Duitse vader met een zoontje had gestaan. De vader werd met de eerste golf tegen de rotsen geslagen en was op slag dood. Het jongetje is nooit meer gevonden. De rillingen liepen over mijn rug toen ik dit gruwelijke verhaal hoorde. Toen de duikers die mijn leven hadden gered ook nog vertelden dat zij in de betreffende baai een haai hadden zien zwemmen, besefte ik dat het een onwaarschijnlijk geluk was geweest dat ik dit avontuur had overleefd.

– Hans Kazàn

Klik hier om meer blogs te lezen

X